Ga direct naar: 'het probleem', 'ontstaan van het project' of 'het doel'

Het probleem:

Er komen in ons gebied steeds meer weeskinderen. Op de eerste plaats als gevolg van de algemene slechte gezondheidssituatie, maar de laatste tijd ook vooral vanwege AIDS.

De meeste weeskinderen zijn van jonge ouders die nog kleine kinderen achterlieten. Veel weeskinderen uit de stad worden naar het platteland gestuurd, naar de gebieden waar hun grootouders en naaste familieleden wonen. Gelukkig hebben de kinderen in ons missiegebied een betere kans om te overleven en om familieleden te vinden die hen kunnen voorzien van eten en onderdak. De meeste mensen hebben geen betaalde baan, maar voorzien in hun eigen levensonderhoud. Ze wonen in kleine gehuchten, in huisjes van modder en palen. Als de weersomstandigheden goed zijn, is er over het algemeen genoeg voedsel om van te leven. Voedsel is dus niet het grootste probleem. Ze bewerken hun eigen land en de weeskinderen kunnen zich vrij gemakkelijk voegen bij hun familieleden/grootouders (hun voogden).

Het echte probleem ontstaat pas wanneer deze kinderen de schoolgaande leeftijd bereiken. Want om naar school te gaan hebben ze schoolgeld, boeken, pennen, schoenen en uniformen nodig. De voogden hebben geen geld, want bijna niemand heeft een inkomen. Geld is alleen beschikbaar als de eventuele meeropbrengst van de oogst op de markt wordt verkocht. De familie / grootouders hebben niet eens voldoende geld voor hun eigen kinderen, laat staan voor de weeskinderen. De eersten die thuis moeten blijven van school zijn dus de weeskinderen.

Hoe dit adoptieplan is ontstaan:
(door Pater Toon van Kessel)
1.
In 1988 kwam de hoofdverpleger van Minga ziekenhuis mijnheer Tembo naar me toe. Hij vroeg me 's avonds naar zijn huisje te komen bij een ontmoeting tussen zijn vrouw, zijn moeder en hijzelf. In die pijnlijke ontmoeting vertelde hij zijn vrouw en moeder dat hij AIDS had en dus ongeneselijk ziek.
Die avond kwam er geen enkele reactie van zijn moeder, maar zijn vrouw had één vraag: wat gaat er met onze 5 kinderen gebeuren en met de zesde waar ik van in verwachting ben?
De volgende dag kwam zijn vrouw naar mij toe : Ik heb alles gedaan om een goed te leven leiden; een toekomst voor mijn kinderen op te bouwen, ……
Op het einde van dat lang , emotioneel gesprek was haar conclusie: ik zal dit alles aanvaarden, maar ik vraag jou één ding kun jij later als we allebei gestorven zijn onze kinderen te helpen tot ze de school af hebben?

Mijn antwoord: Nee dat is moeilijk, er zijn veel kinderen die er zo voor staan, ik kan weer overgeplaatst worden, we heb zelfs de middelen niet, het is ons werk niet, we kunnen niet gebonden worden door een familie.. etc.

Het zesde kind werd geboren, en ze noemden hem Thomas omdat de vader niet verwacht had hem nog te zien.
Dat jaar stierf de vader, hetzelfde jaar de baby Thomas. De moeder ging naar haar ouders 300km verderop. De moeder Catherin stierf het jaar daarop hetzelfde jaar als haar tweede kind. Toen het jaar daarna nog de grootvader.
Van de 10 waren nog maar 1 grootmoeder en 4 kinderen over.

2.
In 1989 werd ik geroepen om een jonge vrouw (Grace Chirwa) het sacrament van de zieken te geven. Zij werkte in de hoofdstad bij Zambian Airways. Haar man was intussen vertrokken en ziek. Zelf lag ze nu doodziek bij haar moeder 400km. verder. Na de zalving en alle gebeden zei ze: maar ik heb ook een bede: Mijn moeder zal mijn kinderen wel verzorgen maar kun jij mij garanderen dat mijn twee kinderen een goede opvoeding krijgen en naar een goede school gaan?
Ik had geen antwoord.
Mijn antwoord was weer ontwijkend. Kan jouw moeder daar niet voor zorgen en je hebt ook nog een broer die iets zou kunnen doen, er zijn nog andere familieleden enz. Ook deze jonge vrouw is intussen gestorven, haar grootmoeder ook.

3.
In 1993. Dorothy Chikunduzi in Lundazi die met haar man in ons kleine volleybal team had gezeten: lector was in de kerk; de werkgroep voor de eerste communie leidde en in het parochie bestuur zat, enz. Dorothy riep me bij haar ziekbed een week voor ze stierf.
Ze was geheel uitgeleefd en nog maar nauwelijks in staat te praten.
Voordat ik sterf wilde ik het volgende met jou als getuige vertellen.
a. Ik wil niet dat mijn 3 kinderen na mijn dood naar hem gaan of naar zijn ouders. Hij heeft niet voor mij kunnen zorgen hij zal ook voor mijn kinderen niet kunnen zorgen.
b. Kun jij en de parochie zorgen dat mijn 3 kinderen minstens naar school kunnen gaan en een kans maken een beroep te leren?
Ik had weer geen antwoord, alleen maar wat vage beloften..
Grace is ook gestorven, haar man erg ziek en de kinderen bij de grootouders.

1994
Al deze zieke en stervende ouders hadden één en dezelfde zorg: - niet geld - niet voedsel - maar over de kansen van hun kinderen, de toekomst van hun kinderen. School was hun grootste zorg.

De Goede Samaritaan.
(Een groep die werkt voor armen en misdeelde. Een georganiseerde werkgroep in iedere parochie, met in onze parochie een ledenaantal van 200.) Gedurende de algemene vergadering van deze werkgroep werd het probleem weeskinderen boven aan de agenda geplaatst.
Wat kunnen we doen en wat kunnen we niet?

Wat we niet konden en kunnen doen:
Zambia heeft op het ogenblik op een bevolking van 10 miljoen:
één miljoen daarvan zijn besmet en ziek met AIDS.
Één miljoen zijn weeskinderen.
1. Geen weeshuizen bouwen. Geen speciale scholen bouwen voor weeskinderen.
Als de familie geen onderdak kan geven of voedsel, kan een staat of kerk deze taak nooit op zich nemen. Op het platteland kan en moet de familie blijven zorgen voor het kind onderdak geven en te eten geven.
2. Deze kinderen mogen niet uit hun milieu worden genomen en ze nog eens opschepen met nog meer psychische en emotionele problemen. Het is in hun eigen families dat ze nog het beste in gezinsverband op kunnen opgroeien.

Wat kunnen wij wel doen?
1. In de drie voorbeelden die we aanhaalden vroegen de ouders niet om geld, niet om onderdak, niet om voedsel.
De angst van stervende ouders is dat hun kinderen nadat ze door grootouders of familie worden geadopteerd geen toekomst hebben omdat ze niet naar school kunnen gaan.
2. Want vele pleegouders zijn niet overtuigd van de noodzaak kinderen naar school te laten gaan; zeker niet de meisjes.
3. Hierbij moeten we weten dat de meeste pleegouders oud zijn: de grootouders.
Maar ook dat ze dikwijls moeten zorgen niet voor 1 of 2 maar:
6 tot 8 weeskinderen tegelijkertijd.
4. Alle pleegouders hebben allemaal hetzelfde probleem, we kunnen zelfs niet betalen voor onze eigen kinderen.

Ter plaatse werd het volgende besloten ( iets wat we konden doen):

1. Uitvinden hoeveel kinderen er zijn in ons gebied, deze weeskinderen van schoolgaande leeftijd registreren.
2. Ieder lid van de werkgroep kan één weeskind adopteren, bezoeken, begeleiden en de ouders inspireren en aanmoedigen om ook hunweeskinderen naar school te sturen, kinderen helpen een plaats te vinden op school
3. Er werd ook besloten via organisaties, geld te vragen de pleegouders eventueel ook financieel te helpen om hun weeskinderen naar school te sturen. Toen hebben de Nederlandse ambassade, Mensen in Nood, en Zweden ons inderdaad geld gegeven maar dikwijls was dit eenmalig.

En zo is ons
programma ontstaan.

1997 Adoptieplan.
In 1997 toen ik op verlof was hebben we gezien dat het moeilijk zou zijn om met deze eenmalige giften op lange termijn te hulp bieden aan deze weeskinderen. We wilden een betere manier om voor sommige kinderen de voltooiing van hun school te garanderen. Toen is het idee opgekomen om gezinnen te vinden die een weeskind voor een langere tijd zouden willen adopteren en schoolgeld voor een langere tijd te willen betalen. Zo wat meer zekerheid scheppend voor het weeskind. Toen is deze groep ontstaan en zijn we begonnen met voor 28 kinderen een sponsor te vinden.

Het doel van ons project:
Het belangrijkste doel van ons project is om de voogden aan te moedigen om de weeskinderen naar school te sturen en ze op school te houden.
Want zonder scholing:
1. hebben de weeskinderen geen reële kans in het leven; zullen ze altijd afhankelijk zijn van anderen en kunnen dus nooit voor zichzelf zorgen; zullen ze niet in staat zijn om werk te vinden, zeker niet als ze analfabeet zijn;
2. moeten de kinderen de straat op om hun kostje bij elkaar te scharrelen; worden ze de 'straatkinderen' van morgen.


Truck met goederen (Juli 1999).

Klik hier om te lezen hoe we te werk gaan.